Rassenstandaard

Algemeen:
Subkortlijnig. Het lichaam kort en gedrongen, de ledematen sterk en goed gespierd. Maakt een indruk van kracht, maar zonder plompheid. Moet zijn geschiktheid als werkhond absoluut behouden. Alles wat hieraan afbreuk doet, moet worden bestraft.

Hoofd:
Massief, wordt nog versterkt door de baard en de snor. Goed ontwikkelde schedel, iets minder breed dan lang. De bovenlijnen van de schedel en de snuit zijn evenwijdig.
De verhouding hoofd/neus is 3/2.

Neus:
Goed ontwikkeld, zwart.

Gebit:
Schaar– of tanggebit.

Ogen:
Frank en energiek, licht ovaal en horizontaal gericht. Zo donker mogelijk ten opzichte van de vachtkleur.

Oren:
Hoog aangezet, boven de ooglijn, de oorschelpen verticaal neerhangend. Halflang, in de vorm van een driehoek met afgeronde punten, vlakt tegen de wangen. Met glad haar bedekt.

Hals:
Sterk gespierd, forse en licht gewelfde nek.

Romp:
Krachtig, gedrongen en kort. Borst breed en goed diep tot aan de ellebogen. De eerste ribben zijn licht gewelfd, de andere afgerond en sterk naar achteren hellend.

Staart:
Relatief hoog aangezet in het verlengde van de ruggengraat. Sinds 1 januari 2006 mogen de staarten niet meer gecoupeerd worden. Er is nog niets besloten hoe de staart gedragen moet worden. De ene boever draagt hem omhoog, de andere omlaag en licht krullend.

Gangwerk:
Vrij, ongedwongen en fier.

Vacht:
Zeer overvloedig. Het dekhaar vormt met het dichte onderhaar een beschutte bekleding. Ruw aanvoelend, droog en mat, niet te lang of te kort (ca. 6 cm). Licht warrelig, nooit wollig of gekruld. Over het algemeen grijs, gestroomd of zwart gevlamd (ook wel charbonné genaamd). Volledig zwart is toegelaten, maar geniet niet de voorkeur. Een witte ster op de voorborst wordt getolereerd.

Grootte:
Reuen: 62-68 cm
Teven: 59-65 cm

Gewicht:
Reuen: 35-40 kg
Teven: 27-35 kg